Contact

Klooster Mariënhage
Augustijnendreef 15
5611 CS Eindhoven
(040) 244 95 15

Contactpersoon:

Joost Koopmans o.s.a.
joost.koopmans@online.nl

Meer informatie...

 

Op weg naar levende liturgie

 1 . Het is de gemeenschap die viert
 2.  De liturgische rollen: priester, lector, acoliet, cantor, koor
 3.  De schuldbelijdenis - gebed om vergeving
 4.  Elke zondag een beetje Pasen
 5.  Stilte
 6.  Gebaren en rituelen
 7.  De kracht van kleine rituelen 
 8.  Woord van Welkom  
 9.  Welkom aan elkaar 
10  Het noemen van de naam God 
11  Met open handen  
12  Zingen 
13 Zending en zegen
14 Keuze van de lezingen

Deze toelichtingen zijn van de hand van Joost Koopmans

 

1.  Het is de gemeenschap die viert

“Wie doet zondag de mis?” Als iemand dat vraagt, verwacht hij als antwoord: “pater die en die”. Maar in feite wordt de mis niet “gedaan” door de priester, maar door het volk, waarbinnen ook de priester actief deelneemt. Dit is een van de belangrijkste inzichten van het Tweede Vaticaans Concilie. Het is de bedoeling dat de aanwezige gemeenschap in de eucharistie participeert op een bewuste, actieve en volledige wijze. Een voorbeeld van hoe de gelovigen hun actieve deelname kunnen uiten is het aandragen van de gaven van brood en wijn. Omdat we daar in onze kerk pas mee begonnen zijn, wordt dit voorlopig gedaan door acolieten en lector. Maar het is de bedoeling dat het als uitdrukking van actieve deelname, door mensen uit de kerk gebeurt. Het is een symboolhandeling want ook wijzelf worden in de offergang betrokken.

Het Laatste Avondmaal van Leonardo da Vinci

Ook wijzelf behoren bij de offergaven die aan God worden aangeboden. Daar mogen ook de kleine gelovigen, de kinderen, bij meehelpen. Als de paus een bezoek brengt aan bijvoorbeeld Afrika of Zuid-Amerika, dan zie je tijdens de eucharistieviering op de televisie, dat het aandragen van de gaven een feestelijke actie is van kleurig uitgedoste mensen, die niet alleen brood en wijn naar voren brengen, maar ook allerlei andere gaven. En ook in de ons omringende landen is men veel actiever in de daadwerkelijke deelname van de gelovigen bij de eucharistie. Komt het door onze “Hollandse nuchterheid” dat wij terughoudender zijn? De liturgist Ad de Keyzer stelt in zijn boek “Ga met ons jouw weg”  (Gooi & Sticht, 2001) dat de actieve deelname waartoe het concilie ons opriep, vaak is blijven steken in een welwillend voornemen. Je bewust zijn van het feit dat het de gemeenschap is die viert, vraagt om een ommekeer in het denken. We zullen er aan moeten wennen dat wij samen deelnemers zijn van het ritueel, en dan ook nog daaraan vorm moeten geven. Dus als u gevraagd wordt om ook eens de gaven naar voren te brengen, schroom dan niet: het is zo’n moment van actieve deelname en het maakt onze vieringen wat dynamischer!

top

2.  De liturgische rollen

Liturgie is een ritueel gebeuren dat niet voor, in de betekenis van ten behoeve van, maar door het volk wordt voltrokken. ‘Volk’ moeten we hier niet verstaan als een etnische eenheid (bloed) of een geografische eenheid (bodem). Het gaat om mensen die betrokken zijn op God: ‘Gods volk onderweg. ‘ Dit volk van God is de drager van de liturgie. Het is bekleed met een gemeenschappelijk priesterschap, ontvangen bij het doopsel. Binnen dit volk zijn de liturgische rollen verdeeld: priester, lector, acoliet, cantor en koor. Dit keer wil ik in het kort ingaan op de rol van de lector.

De rol van de lector

Het is nodig dat de lector de bijbellezing voorbereidt. Dat betekent vooral dat hij moet leren luisteren naar de tekst. De houding die daarbij hoort is: wil ik de Auteur horen en Hem bij mij binnenlaten? En dat is meer dan: begrijp ik de tekst en kan ik er achter staan? In de liturgie bestuderen we geen teksten, maar ontvangen we het woord van God. De lector moet dus eigenlijk zo voorlezen dat hij zelf zijn mond houdt in het spreken en God aan het woord laat komen. Hij leest zó voor, dat God te horen is. Een aanhoorbare stem is daarbij natuurlijk wel nodig. Hetzelfde geldt voor het bidden van de voorbede. De voordracht dient zo te zijn dat niet jij als lector in beeld wordt gebracht, maar de God die ons barmhartig is. Vermijdt regieaanwijzingen zoals: ‘laat ons zingend bidden…’ Dat is net zoiets als ‘zingen we staande’ of ‘u vindt deze tekst in uw boekje op blz. 12 nummer 1’. Een liturgist zegt hierover: ‘Mededelingen die het analytisch verstand aanspreken voelen aan alsof de tl-verlichting aan gaat in het restaurant….’  ‘Laat ons bidden en zingen’.. klinkt al beter aan het eind van een voorbede.

Vrouwen

Het valt mij op dat in onze kerk zo weinig vrouwen een rol spelen in de liturgie. Laten we de voorgangersrollen gelijkelijk verdelen onder mannen én vrouwen. Want samen vormen we het volk van God. En laten we ook jongeren uitnodigen om mee te doen. En ook kinderen kunnen een rol spelen. Maar dan moeten ze eerst wel komen, zult u zeggen. Als wij ons open en gastvrij opstellen, zullen ze misschien wel de weg naar ons vinden. Vergeet niet, er is een honger naar zingeving. Want alleen maar alles hebben, maakt je niet definitief gelukkig.

top
 

3.  De schuldbelijdenis - het gebed om vergeving

Een tijd geleden hadden wij met een aantal collega’s een gesprek over het onderwerp ‘zonde en schuld in de Eucharistie.’  ‘Is het nou werkelijk nodig dat we zo vaak in de Eucharistie zeggen dat we zondaars zijn?’ vroeg iemand zich af. ‘Is het niet beter onze blijdschap uit te drukken omdat we bij God mogen komen? God ziet ons toch niet op de eerste plaats als zondaars. Hij heeft ons gemaakt en weet wat er in ons omgaat.’ Inderdaad: in de officiële liturgie vragen wij op zijn minst acht keer om vergeving: naast de schuldbelijdenis aan het begin, ook nog vóór het tafelgebed begint, soms tijdens het tafelgebed, dan weer vóór de communie, tijdens de handwassing, als dit ritueel tenminste gebezigd wordt, enzovoort. Is dat niet wat veel? In onze liturgie ligt de nadruk op onze tekorten vooral aan het begin van de viering. We keren ons een ogenblik in onszelf en laten de afgelopen tijd door ons heengaan. Niet zozeer om te bedenken wat we allemaal fout hebben gedaan, maar meer om ons er bewust van te worden wat we hebben nagelaten. Het gaat dus niet zozeer om onze zwakke en zondige plekken in morele zin, maar om  tekortkomingen op het vlak van onze roeping als christen. De norm van christen-zijn is gelegen in de zin uit Matteüs 25: al wat je voor de minsten en geringsten hebt gedaan, heb je voor mij gedaan. Blijf je trouw aan deze norm of hou je het voor gezien, omdat het toch niet helpt? ‘Als ze mij voortaan maar met rust laten’… dat kan je houding worden, beroerd van allerlei toestanden en feiten van deze tijd. Het is de beproeving je terug te trekken op jezelf, de rest moet maar zien. Zitten we al neer bij moedelozen, niet meer in beweging te krijgen en vastgeroest aan huis en haard en oude zekerheden? Dan zou wat doods is het laatste woord krijgen en dat is doodzonde! Daarom bidden we om vergeving en zingen om ontferming: om weer de weg van het leven te gaan.

Viering van vergeving

We kennen ook aparte vieringen van vergeving, in de volksmond ‘boeteviering’ genoemd. We zijn ons bewust van de gebrokenheid van ons bestaan. We zijn nu eenmaal geboren zoals we geboren zijn, beperkt. ‘We zijn maar mensen’ zegt Augustinus. Daar kun je niks aan doen, nodig is slechts de erkenning van je tekortkomingen. In die zin is het gekoppeld aan wat we ook wel erfzonde noemen. Het betekent dus ook een erkennen van het tekort van de ander, van een je openstellen voor de ander. Uiteindelijk stel je je open voor God, die de gebroken mens steeds weer in genade aanneemt: Neem mij aan zoals ik ben, zuiver uit wie ik zal zijn. Zet uw zegel op mijn ziel en leef in mij. ‘ Viering van vergeving’ geeft dus het beste de bedoeling van deze bijeenkomsten aan: ons bewust van de gebrokenheid van het leven, gaan we in de ruimte van Gods vergeving staan. Gebeden, rituelen, lezingen en liederen helpen ons hierbij.

top

4.  Elke zondag een beetje Pasen

Samen met andere liturgisten pleit ik er voor, de Paaskaars het héle jaar in alle vieringen brandend te houden en deze niet vanaf Hemelvaartsdag te doven. Het verhaal in het eerste hoofdstuk van de Handelingen van de Apostelen vertelt iets over zowel Pasen als Pinksteren: degene die heenging naar de Vader blijft in de Geest aanwezig. Zijn licht verdwijnt niet na veertig dagen!

Elke zondag alleluia!

Als de tweede lezing (uit de brieven van Paulus) wordt weggelaten, vervalt ook vaak de alleluia-zang. Maar het is jammer om het alleluia alleen te zingen tijdens de paastijd, omdat de opstanding van Christus elke zondag gevierd wordt. Het alleluia-gezang (vaak met evangelievers) heeft iets vrolijks en leidt de woorddienst tot zijn hoogtepunt: de lezing van het evangelie.

Jan van Eyck, De drie Maria's aan het graf. Boymans van Beuningenmuseum Rotterdam

 

 

 Jan van Eyck
 De drie Maria's aan het graf.
 Boymans van Beuningen museum
 Rotterdam

 

 

 

top

5.  Stilte

De liturgist Ad de Keijzer spreekt over drie stilte-momenten tijdens de viering:
1. De stilte voor het uitspreken van het openingsgebed die hij karakteriseert als ‘een zwijgend zich richten op…’
2. De stilte na de overweging als ‘een stil verzamelen’ en
3. De stilte na de communie als ‘een stil overwegen’.

Stilte voor het openingsgebed

Tijdens deze stilte geven wij uitdrukkelijk de ander de ruimte om zich te manifesteren, en laten wij van onze kant onze ontvankelijkheid zien. Zo strekken wij ons uit in ons bidden naar God, en openen wij in onszelf de ruimte waarin Hij zich kan uitspreken.

Stilte na de overweging

We overwegen wat we zojuist gehoord hebben, kort en intens. Als de predikant na zijn overweging meteen overgaat naar het volgende onderdeel, voelt het ontbreken van die stilte toch als een gemis. Een voorganger die zelf rustig aan de stilte deelneemt voelt aan, wanneer hij moet eindigen.

Stilte na de communie

‘Ritueel gezien is het ter communie gaan het hoogtepunt van de eucharistie, spiritueel gezien ligt het in het stilte-ritueel na de communie (Ad de Keijzer).’ De stilte na de communie kan de ruimte zijn waarin wij kunnen beseffen dat wij , wat we met onze mond gegeten hebben, nu ook in onze geest en in ons hart ontvangen mogen. Maar stilte is een vreemd fenomeen, dat onwennig aanvoelt. Eigen aan de rituele stilte is dat zij een gegeven ruimte is waarin wij kunnen binnengaan. De toegang tot die ruimte moet worden gemarkeerd doordat de voorganger bv. zegt: ‘laten we stil worden.’ De stilte na de communie wordt gemarkeerd doordat de voorganger na het leegmaken van het altaar rustig te midden van de anderen gaat zitten, terwijl koor en orgel zwijgen. In de stilte die ontstaat kan dan het besef doorbreken dat, zoals Willem Barnard het zegt, God en mens elkaar raken als een tweestemmig lied. Het einde van de stilte wordt gemarkeerd doordat de voorganger opstaat en ons uitnodigt tot het slotgebed.
nb:
Soms heerst er in de sacristie al een gezellige drukte voor de dienst begint. Toch zou het de sfeer zeer bevorderen als zowel voorganger als medewerkers de dienst vanuit rust kunnen beginnen. De gezelligheid komt wel bij de koffie daarna.

top

6.  Gebaren en Rituelen

Een oma, die haar kleinkind eens meegenomen had naar de eucharistieviering, vroeg hem na afloop: ’En, hoe vond je het?’ ‘Niks aan’, zei het kind, ‘het was gewoon een uur lang op een stoel zitten!’ Het kind heeft gelijk: als liturgie niet meer is dan een uur praten en op een stoel zitten, dan is het maar een saaie bedoening. Toen in de jaren zestig veel riten waren weggevallen, en de liturgie praterig en uitleggerig werd, merkte de literator Kees Fens niet voor niets op: ‘Het Woord is hees geworden!’ Staan, knielen, het kloppen op de borst, het maken van een kruisteken, al dit soort rituelen vielen weg, omdat het maniertjes waren geworden. De voorganger liet de priesterlijke gebaren weg, omdat ze tot routine waren verworden. We spreken van een ‘ritencrisis’. De riten waren verplichte rubrieken geworden die steeds op dezelfde manier herhaald moesten worden. Omdat ze niet meer van binnenuit kwamen, gingen ze tegen staan en werden ze losgelaten. Dat was nodig om weer iets nieuws te laten groeien, of om oude rituelen opnieuw te leren waarderen.


Van verzakelijking naar nieuwe waardering voor het ritueel

Die ritencrisis deed zich ook voor in de maatschappij als een verzet tegen verburgerlijking. Trouwen deed je zo onopvallend mogelijk, je wilde niet voor aap staan. Een promotie vond plaats met zo weinig mogelijk protocol: je wilde geen uitslover zijn. Ook het afscheid nemen van een dierbare verschraalde tot een half uur in het crematorium met een praatje en een plaatje. Langzaam maar zeker groeide overal verzet tegen de verzakelijking en verschraling van belangrijke levensmomenten. Een huwelijksfeest dat zich beperkt tot een hapje en een drankje werd ervaren als koude kermis. Wie is er nooit eens met gemengde gevoelens teruggekomen van een steriele uitvaart? En over het ritueel bij een promotie vertelt een pedel: ‘In de jaren zestig namen ze het allemaal niet zo nauw met het protocol. Ze waren bang te laten zien dat ze blij waren met hun promotie. Nu dragen de meesten weer een rokkostuum. Kandidaten uit de jaren zestig hebben nu spijt van hun rebels gedrag. Het gevoel van ‘dit is een moment dat je moet koesteren, iets wat je maar een keer in je leven meemaakt, is weer helemaal terug.’ Het is juist dit gevoel waardoor rituelen sinds de jaren negentig aan een opmars zijn begonnen. Het sterkst komen die tot uitdrukking bij een uitvaart: het zelf bekleden, sluiten en dragen van de kist bijvoorbeeld. En de dode zelf neerlaten in het graf en begraven met een schepje zand. Het loslaten van witte ballonnen bij het laatste afscheid als opstijgende wierook. Zulke rituelen geven aan het afscheid een onvervangbare emotionele waarde. Ook een trouwdag wordt weer omgeven met rituelen. De tijd dat een bruidspaar op de fiets naar het stadhuis reed is voorbij! Er is weer behoefte aan plechtigheid en drama. En als er in de kerk getrouwd wordt, willen bruidsparen dat hun verbond onder de zegen van God komt.


De rituelen op zondag

Onze zondagsliturgie is méér dan verbaal. We maken gebaren, voeren rituelen uit en gebruiken symbolen . Hoe ervaren wij die? Als gekunsteld, als iets dat door de kerk zo geregeld is, of als echt van binnenuit? We hebben daar allemaal een taak in, want het is de gemeenschap die viert. Het zou niet goed zijn om alle aktiviteit van de voorganger te verwachten, terwijl de gelovige zich als consument opstelt.

top

7.  De kracht van kleine rituelen

Ons dagelijks leven zit vol met kleine rituelen. Bij een ontmoeting geven we elkaar een hand bijvoorbeeld. Als we elkaar tegenkomen vragen we: ‘hoe gaat het?’ Na een voorstelling applaudisseren we, en als we doden willen gedenken houden we één minuut stilte. Ouders geven hun kind een kruisje op het voorhoofd bij het slapen gaan, en als het jarig is steken we kaarsjes aan op de taart die de jarige dan mag uitblazen. Voor een slachtoffer houden we een stille tocht en een rouwstoet rijdt nog éénmaal langs het huis van de overledene.

Vervlakking

Wie is het nooit eens overkomen? Iemand komt een gezelschap binnen zonder zich voor te stellen. Met de handen in zijn zakken kan er nog net een ‘hoi’ af en hij gaat zitten. Het zal wel aan zijn verlegenheid liggen, of aan de Hollandse stijfheid, maar ik voel me er ongemakkelijk bij, er wordt geen contact gemaakt. Een groet slaat een brug, je brengt elkaar tot spreken. Het kleine ritueel maakt ‘het unheimliche’ bewoonbaar.

Liturgische rituelen

Ook onze zondagsliturgie zit vol met kleine rituelen. Zou je ze weg laten, dan houd je alleen woorden over. De vroegere protestantse diensten waren zulke verbale bijeenkomsten. Maar de meeste richtingen hebben het ritueel herontdekt. ‘De mens uitte zich al in rituelen voordat hij kon spreken’ (Chesterton). De liturgische rituelen zijn niet alleen voorbehouden aan de voorganger, ook de gelovige speelt zijn rol. Het is immers de gemeenschap die viert. Neem bijvoorbeeld de rituelen rond de communie.

Breken en delen

De communie vormt het hoogtepunt van de hele eucharistieviering. Voordat we ter communie gaan wordt het brood gebroken. In dit rituele gebaar komt aan het licht dat slechts het gebroken brood het mogelijk maakt dat mensen ervan kunnen eten. Hoe belangrijk het breken van het brood is, blijkt uit het feit dat de eerste christenen de naam ‘breken van het brood’ gebruikten om de eucharistie aan te duiden. En de leerlingen van Emmaüs herkennen Jezus bij het breken van het brood. Het is zijn herkenningsteken geworden, omdat Jezus juist bij dit gebaar het joodse ritueel op zo’n manier wijzigde dat hij het betrok op het breken en delen van zijn leven. Voor het uitdelen en ontvangen van brood en beker (het communiceren) kun je ook de term ‘breken en delen’ gebruiken. Uitdeler en ontvanger kijken elkaar met een blik van verstandhouding even aan. De een zegt: ‘lichaam van Christus’, de ander antwoord: ‘amen’. Een paar eenvoudige, veelzeggende gebaren, waarmee je te kennen geeft dat je instemt met het evangelie: ja, ik wil lichaam van Christus zijn!

Kijk niet weg

Het valt me op dat sommige ontvangers de uitdeler niet aankijken. Misschien zijn er ook wel uitdelers die de ontvanger niet aankijken. Dat voelt net zo aan als Iemand die je wel een hand geeft, maar niet aankijkt. Je mist dan een stukje saamhorigheid. Het ritueel wordt oppervlakkig. Het gebaar van geven en ontvangen vraagt van binnenuit om een blik van verstandhouding, waardoor de betekenis van breken en delen wordt verdiept.

Brood én wijn

Augustinus benadrukt in al zijn preken over de eucharistie dat niet alleen het geheiligde Brood en de gezegende Wijn lichaam en bloed van Christus zijn, maar ook de gelovigen die aan de eucharistie deelnemen. Bekend is Augustinus’ aansporing (preek 272): ‘Wees wat jullie zien en ontvang wat jullie zijn, lichaam van Christus!’ De overtuiging dat gelovigen Lichaam van Christus zijn, keert in alle preken terug: ‘Neem en eet het lichaam van Christus: zelf bent u ook al ledematen van Christus geworden in het lichaam van Christus. Drink wat u hebt gekost om niet te denken dat u maar weinig waard bent’ (preek 228B,3) Die gedachte alleen al – een bisschop die zijn gelovigen heel veel waard vindt- is een kostbare aansporing tot én een belangrijke herinnering aan het communiceren onder twee gedaanten. Lichaam van Christus zijn is bij Augustinus iets dynamisch: zoals brood en wijn in ons veranderen wanneer we die eten en drinken, zo veranderen wij ook in het lichaam van Christus wanneer we gehoorzaam en vol eerbied leven (preek 228B,3).

Avondmaal te Emmaüs van Caravaggio (wiki commons)

Aanwijzingen

Als Augustijnenkerk bieden wij bij de communie brood én beker aan. Maar door ervaring wijzer geworden, moeten wij hier wel enkele aanwijzingen geven bij het gebruik van de beker. Op de eerste plaats moet de uitdeler van de beker een stukje van de uitdeler van het brood gaan staan, zodat de rij communiegangers kan doorstromen. Staan de twee uitdelers te dicht bij elkaar, dan ontstaat er een opstopping. Op de tweede plaats moet de uitdeler van de beker het kelkdoekje vóór de beker houden, zodat druppels wijn opgevangen kunnen worden. En op de derde plaats is het niet de bedoeling dat de deelnemer zijn hostie zo diep in de beker doopt, dat zijn vingers in de wijn komen! Bovendien is dat ook niet erg hygiënisch. Voor de symboliek is het voldoende als het brood even de wijn raakt.

PS: De tekst over ‘Brood én wijn’ van Augustinus is na te lezen in: "Tot heerlijk brood gebakken: aspecten van Augustinus' visie op de eucharistie" / Hans van Reisen, in: Zijn lichaam worden. Leven uit de rijkdom van de eucharistie / 0. red. C. Caspers. Abdij van Berne, 2013 Zie ook preek 228 van Augustinus in de bundel Als lopend vuur en preek 272 in de bundel Preken voor het volk

top

 

8.  Woord van Welkom

Toen ik afscheid nam van de Boskapel kreeg ik een herinneringsboek mee. Iemand schrijft: ‘De eerste keer dat ik in de Boskapel kwam, sprak jij de volgende welkomstwoorden:
‘Iedereen, wie je ook bent, waar je ook vandaan komt, wees welkom hier in de Boskapel.’ Ik was diep geraakt, ontroerd en voelde me welkom en dacht: ‘hier wil ik vaker zijn. Wat mij betreft spreek je deze woorden nog heel vaak uit aan het begin van een viering, ook in Eindhoven.’ In de Kerkkrant van mei 2013 lees ik hoe Renée Witteveen in het interview zegt: ‘Elke viering begint hier met een welkomstwoord waaruit blijkt dat iedereen welkom is. Achtergrond of persoonlijke historie, het speelt allemaal geen rol. Het staat zo in contrast tot wat op andere plaatsen aan het gebeuren is.’

Een goed begin is het halve werk, ook in de liturgie. Daar waar mensen zich welkom weten, staan ze open voor wat komen gaat. Dat is ook augustijns: voor Augustinus is de kerk een kerk van de uitnodiging. De dienaren, dat zijn de bedienaren van de kerk, moeten uitnodigen, niet oordelen, dat is aan de Gastheer voorbehouden. Bij de eucharistische maaltijden van de eerste christenen mocht iedereen aanschuiven, de werkers van het laatste uur (de bekeerde heidenen) net zo goed als degenen die de hitte van de dag hadden gedragen (de joodse christenen), de armen net zo goed als de rijken, de onderdanen net zo goed als de leiders. Het visioen dat het evangelie ons schildert over de maaltijd in het koninkrijk van God gaat over één groot gemeenschapsfeest. In onze Augustijnenkerk komen het laatste jaar ook mensen van diverse gemeenschappen samen, mensen die door kerksluitingen dakloos zijn geworden; mensen die zich aangesproken voelen door de open en gastvrije sfeer. Laten we blij zijn met elkaar. Degenen die er het laatst zijn bijgekomen zijn natuurlijk even welkom als degenen die de hitte van de dag hebben gedragen. Van ‘wij’ en ‘zij’ is geen sprake. In de ruimte van de Augustijnenkerk zijn we welkom, ook aan elkaar!

 

9.  Welkom aan elkaar

Koffie-na-de-viering wordt weleens ‘het achtste sacrament’ genoemd. Het is een grap waar wel wat in zit. Want kom je alleen naar de zaal om even je keel te smeren, of ook om andere mensen te ontmoeten? Ik zie dat de koffie een middel is om ontmoeting tot stand te brengen. Rondom het bakkie troost maken we een praatje met elkaar, wisselen nieuwtjes uit, plannen een afspraak, zingen een jarige toe of condoleren iemand met een verlies. De waarde van het kopje koffie gaat ver uit boven het maaksel van gemalen bonen, het brengt mensen bij elkaar en sticht gemeenschap. ‘Tijd voor koffie – thee – ontmoeting – kennismaking’ staat steeds onder de liturgie vermeld. Dat laatste gebeurt ook: nieuwe kerkgangers grijpen de gelegenheid aan om even kennis te maken met de pastor en vragen informatie over ons kerkgebeuren. Maar het komt ook voor dat mensen die weinig of voor het eerst aanwezig zijn, niet worden opgevangen. Zoals dat echtpaar bij de startzondag op 1 september. Ze hadden gehoor gegeven aan de uitnodiging om nog wat na te blijven. Ze gingen ergens zitten, maar de plaatsen naast hen bleven leeg. Er kwam alleen iemand vragen: ‘is deze stoel nog vrij?’ om hem vervolgens mee te nemen. Toen ik dit echtpaar tegenkwam bij de uitgang, moesten ze dit verhaal aan mij kwijt. Vorige keer schreef ik over het welkomstwoord aan het begin van de viering. Als mensen zich welkom weten staan ze open voor wat er komen gaat. Dat we ook welkom zijn aan elkaar, kan vooral blijken bij de koffie. Vang elkaar op, vooral degene die nieuw is. Sluit je niet op in kleine groepjes, want dan sluit je je af van iemand die er ook bij wil horen. Doe zoals bij de vredesgroet tijdens de Eucharistieviering: loop naar de ander toe, geef hem/haar de hand en heet hem/haar welkom! Dan zet de liturgie zich voort in het gewone daagse leven.

 

10. Het noemen van de naam God

‘Zielen raken zonder God te noemen’: het stond als kop boven een interview met mij in het Eindhovens Dagblad van 3 december j.l. in verband met mijn ambtsjubileum. De context van deze kop luidde: ‘Mensen hebben behoefte aan zielzorg. Iemand die ze helpt bij levensvragen. Zo probeer ik mensen te raken, te helpen, zonder het woord God te noemen’. Ik heb er echter wel meer bij verteld, maar dat is niet in de krant gekomen. Ik vertelde dat het woord God vaak zo dood en zonder betekenis is geworden. Wordt het vaak niet gedachteloos uitgesproken in een gebed? Is het woord niet vaak misbruikt? ‘Pas op, want God zal je straffen’: zo probeerden mensen over jou de baas te spelen. ‘Gott mit uns’: stond op de gespen van soldatenriemen te lezen… Het woord God kan zo bedreigend, vervreemdend, “profaniserend”, kunstmatig overkomen, dat het zijn waarde verliest en dat je niet graag vereenzelvigd wordt met het geloof in zo’n God. Van iedere voorganger mag gevraagd worden dat hij het woord God nooit achteloos in de mond neemt en dat hij rekening houdt met de gevoelens die dit woord kan oproepen. Om God in een gebed te laten oplichten, hoeft Hij nog niet altijd expliciet genoemd te worden. Maak het stil in jezelf en stel jezelf dan in de ruimte van zijn aanwezigheid. Binnen die ruimte geef je lucht aan je gevoelens en aan de gevoelens van de aanwezigen voor en met wie je bidt. Bidden is dan vóór Hem gaan staan met al je vragen, twijfels en verdriet, en met je zoekende geloof. Als voorbeeld van ‘zielen raken zonder God te noemen’, volgt hier de slotgedachte die ik uitsprak bij de crematie van een niet-gedoopte vrouw. De niet-kerkelijke familie wilde er toch een pastor bij hebben, omdat zij wel, op haar eigen manier, gelovig was.

Trudy, je verdwijnt nu langzaam uit het zicht,
zoals een schip de wijde zee opgaat
en aan de horizon verdwijnt.
Val je nu van de wereld af, het niets in?
Of openen er zich onbekende,
niet vermoede oorden voor jou?
Dit hopen wij: dat je laatste tocht niet opgaat in het ledige, in het niets,
maar dat je komt in Hem,
die diep in ieder mens wordt vermoed,
die wordt genoemd:
Geheim, eeuwig licht, altijd open horizon,
en wij kunnen hopen op een weerzien!
Met deze hoop in ons hart zwaaien wij je uit.

(Dit zwaaien kan nu letterlijk gebeuren door water over de kist te sprenkelen of bloemen uit te strooien. Zo kunnen ook rituelen een nieuwe lading krijgen)

 

top 
 

11.  Open handen

Het hele lichaam is werktuig en uitdrukking van de ziel… De hand is na het aangezicht het meest bezielde deel van ons lichaam… Zo kan het wel niet anders, of de hand moet ook dáár haar taal hebben, waar de ziel zo bijzonder veel zegt of ontvangt, voor God. Waar ze zichzelf geven en God zelf ontvangen wil, in het gebed. (Romano Guardini).

Toen ik als kind en jongere nog vanuit de kerkbank de eucharistie meemaakte, vond ik het wel eens jammer, dat ik bepaalde gebeden niet met open handen kon meebidden, zoals de voorganger dat deed. Ik had er behoefte aan om zo mijn open, ontvankelijke houding naar God toe, uit te drukken. In onze tijd, waarin het volk van God weer als subject van de liturgie wordt gezien (liturgie is niet voor het volk, maar van het volk), is er niets op tegen als je de gebaren, zoals de open, smekende hand, mee voltrekt, zoals je dat wel ziet bij charismatische groepen. In meer zuidelijke landen is het trouwens gewoonte dat de gelovigen hun handen heffen tijdens het onze Vader. Maar als ik als nuchtere Hollander (Brabander?) zo af en toe ook eens een viering meemaak vanuit de kerkbank, voel ik me toch opgelaten als ik bij het gebed des Heren mijn handen hef. Terwijl ik het in mijn rol als voorganger van harte doe. Ik weet dat ik de gebaren niet voor mezelf maak. Het is mijn opdracht om ze zó te voltrekken, dat de gelovigen ze innerlijk mee kunnen maken en zij hun harten kunnen verheffen naar God. Maar laat niemand zich weerhouden om met open handen het onze Vader mee te bidden. Als velen dat doen, zul je je niet zo gauw opgelaten voelen.

 

top


12.  Zingen

Concertmis
De Augustijnenkerk in het centrum van Wenen staat bekend om zijn zondagse concertmissen. De kerk zit dan tjokvol. Maar zo gauw de laatste klanken van het Agnus Dei zijn weggestorven (zo ging het althans toen ik er een aantal jaren geleden was), loopt een aanzienlijk deel van de bezoekers de kerk uit. Het concert is immers afgelopen. Voor de mensen die overblijven is deze Mis méér dan een concert. Zij vieren de daden des Heren en nemen deel aan de Eucharistie. Sinds de liturgievernieuwing van het Tweede Vaticaans Concilie wordt de deelname aan de liturgie niet meer opgevat als iets dat zich voor het volk voltrekt, maar door het volk. Liturgie is een handeling van de hele aanwezige gemeenschap en niet een activiteit van een gedeelte van het volk, bijvoorbeeld het koor. De liturgist Ad de Keijzer zegt het zo: ‘Uitgangspunt is niet dat het volk sinds de liturgische vernieuwing mag deelnemen aan iets wat vroeger niet mocht. Het is veeleer omgekeerd: het volk participeert rechtens en daadwerkelijk in het ritueel op grond van het feit dat het gedoopt is.’

Compromis
De Augustijnenkerk in het centrum van Eindhoven kent een traditie van polyfone en gregoriaanse gezangen tijdens de Eucharistie. Om tegemoet te komen aan het recht van de gelovigen om actief deel te nemen aan de Eucharistie – dus ook in gezang- werden er Nederlandse liederen ingevoerd die op gepaste plaatsen gezongen kunnen worden. Het laatste jaar zijn daar ook acclamaties bijgekomen. Niet iedereen zat te wachten op het Nederlandse lied, maar ook zit niet iedereen te wachten op Latijnse gezangen, hetzij polyfoon, hetzij gregoriaans. Daarom zijn we gekomen tot het huidige compromis. Hieronder volgen nog een paar aantekeningen daarbij.

Actieve en passieve deelname
Sinds het Tweede Vaticaans Concilie is de liturgie teruggegeven aan het volk, zoals we al zagen. De Eucharistie is een viering door heel de gemeenschap. De gelovigen moeten kunnen meebidden en meezingen. Maar zoals de voorganger een eigen rol vervult, zo kent ook de voorzanger (of het koor) zijn eigen rol. Als de priester bidt, moet hij beseffen dat hij hiermee voor het volk van God de ruimte opent om zich op God te richten. Als de lector voorleest, moet hij er zich van bewust zijn de eerste luisteraar te zijn naar het woord van God. Zo moet ook het koor weten dat het de cantor-rol op zich neemt die het volk de ruimte geeft om in het zingen zelf een antwoord te worden op het woord dat God spreekt. Het volk hoeft dus niet voortdurend actief te zijn in die zin dat het alleen maar bezig is met zelf doen, dat het bijvoorbeeld alle gezangen met het koor meezingt. Zo zie je soms dat een openingsvers of een kyrie-litanie door allen meegezongen wordt, terwijl het gezang is ingedeeld in voorzang en een antwoord door allen. Dat is gedaan om de spanning op te voeren, waardoor er iets aan het volk voltrokken kan worden. Het koor heeft dus zijn eigen rituele rol te vervullen, namelijk om het volk tot daadwerkelijke deelname te motiveren.

Onze koren
Onze beide koren zingen, naast Nederlandse liederen en psalmen, Latijnse gezangen en missen. Nadeel is dat het Latijn geen gangbare taal is en een daadwerkelijke deelname in de weg staat. De liturgist Jungmann omschrijft daadwerkelijke deelname als een meevieren dat verstaat en daardoor vruchtbaar is. Verstaan betekent hier niet alleen ‘begrijpen’; het woord wordt ook gebruikt als ‘een weten’ waaraan deelgenomen wordt. Het gaat om een ‘beseffende’ deelname, die alleen bereikt kan worden door liturgische vorming. Mensen die hiermee niet zijn opgevoed, zullen zich niet zo makkelijk deelnemer van de viering voelen. Het nadeel van de polyfone misgezangen is dat ze vaak gecomponeerd zijn in het vóór-conciliaire tijdperk. Het ‘sanctus’ kon toen bv. best vijf minuten duren, omdat de priester ondertussen in stilte de canon bad. Maar nu de liturgie een handeling is van de hele aanwezige gemeenschap, zouden we eigenlijk allen samen het sanctus moeten zingen. De prefatie is een duidelijk voorbeeld van een gebed dat de spanning opvoert en het volk motiveert tot een actieve acclamatie. Maar misschien kun je bij zo’n polyfone ‘sanctus’ je er ook op instellen om op een actieve manier passief te zijn, dat wil zeggen door in het stil worden ruimte te scheppen in jezelf voor de Ander….

Ontwikkeling
Belangrijk voor onze geloofsgemeenschap is dat we op liturgisch gebied niet blijven stilstaan. Dat we dus ook een ontwikkeling willen doormaken op het gebied van de zang. Toen ik hier pas was, zeiden sommigen:’we houden hier niet zo van de Oosterhuisliederen.’ Maar op de bijeenkomst van 16 maart waarbij 1000 stemmen Oosterhuis zongen, zag ik tot mijn verrassing ook een aardig aantal bezoekers van onze kerk! In de taal van Oosterhuis trilt de taal mee van onze tijd. Onze tijd die verbinding zoekt met het grote verhaal van alle tijden. Nieuwe woorden vinden voor een oud verhaal: dat zie ik als mijn missie. Doe je mee?

Joost Koopmans osa

top

 

13.  Zending en zegen

Wie voorgaat, voorleest, voorzingt, voorbidt, wie een overweging houdt, het brood breekt en de beker aanreikt, doet dat nooit vanuit zichzelf, en ook niet om zichzelf centraal te stellen. Dan zouden we moeten klappen als iemand goed voorleest of mooi zingt. (Bij de Carnavalsmis gebeurt dat wel: na bijna ieder lied wordt er geapplaudisseerd, er wordt dus een stukje opgevoerd.)

Wie voorgaat, doet dat om anderen het vieren mogelijk te maken. Het wordt hem/haar gegeven om dat te doen. Wij bidden, zingen en bedienen hier, omdat het ons is overgeleverd. ‘Wij leven van de geef’ zou je kunnen zeggen. Heel ons leven wordt ons gegeven, elke dag weer: dat wij kunnen ademen, dat wij kunnen zien en horen, spreken en lopen, de mensen om ons heen, alles en alles: de hele schepping wordt ons toevertrouwd. Wij mogen dat ontvangen, toelaten, amen zeggen. Onze hand openen, onze mond openen, Gods goedheid toelaten en ontvangen. Jezus trekt ons mee in de beweging van zijn Geest. Hij trekt ons uit ons zelf naar de ander toe om dienstbaar te zijn zoals Hij.

Ite missa est, alleluia. Deo gratias, alleluia

Dit alles klinkt door in de eenvoudige slotriten van de Eucharistieviering. Het gaat om de zending en de zegen. Die openen de deur naar buiten. ‘Ite, missa est’: Ga heen, naar buiten toe en deel uit wat je hier ontvangen hebt! Blijf dus niet zitten, maar maak in het daagse leven waar wat we hier hebben gevierd. De zegen wil je daartoe de kracht meegeven, een steuntje in de rug voor onderweg. Wees gezegend met Gods kracht om de weg te gaan die voor ons ligt. Daarna kunnen we bij het uitgaan nog heel goed iets zingen. Een lied dat de wegzending beaamt en inoefent wat het gaan inhoudt.

top

 

14.  Keuze van de lezingen

De keuze van de lezingen wordt wereldwijd bepaald door een driejarig rooster, dat een oudtestamentische lezing bevat én een lezing uit het evangelie. Het driejarig rooster wordt verdeeld in een A-, B- en C-jaar. Gekoppeld aan een passage uit het Oude Testament, wordt er in het A-jaar gelezen uit het Matteüs-evangelie (daar zijn we nu mee bezig), in het B-jaar uit het Marcus-evangelie, en in het C-jaar uit het Lucas-evangelie. Uit ‘Johannes’ wordt incidenteel gelezen.

Het evangelie vormt in elke viering het ijkpunt. De eerste lezing wordt gekozen met het oog op de evangelietekst die volgt. Er bestaat dus een harmonische overeenkomst tussen de eerste lezing en de lezing uit het evangelie. Het inhoudelijke thema van de viering (zoals u dat vóór op het liturgieboekje en in de liturgiekalender vindt) wordt bepaald door de keuze van de evangelieperikoop. Het verband tussen de eerste lezing en de evangelieperikoop toont aan dat in de dienst van het woord alles gericht is op Christus. Dat wordt ook zichtbaar in het rituele verloop van de woorddienst. Naarmate we dichter bij de evangelielezing komen, wordt de rituele spanning opgevoerd. Terwijl wij gaan staan tijdens het gezongen welkom aan het evangelie, wordt het boek plechtig opgehaald en op feestdagen bewierookt. We openen de lezing met een dialoog en na de lezing bevestigen wij het beluisterde met een acclamatie, terwijl het boek in de hoogte wordt gestoken.

het Evangeliarium met de evangelielezingen voor de zondag  Tekst uit het Evangeliarium

Al is de voorlezing uit het evangelie het hoogtepunt van de woorddienst, we mogen niet vergeten dat het Nieuwe Testament wortelt in het Oude. Zonder het Oude Testament is het Nieuwe niet te verstaan! Het is ook mogelijk om in de dienst van het woord geen twee, maar drie lezingen te doen. De tweede lezing komt dan uit de brieven van de apostelen. Er is bij deze lezing meestal niet gekozen voor een bewuste samenhang met de beide andere lezingen. Wel krijg je op de achtereenvolgende zondagen door het jaar één bepaalde brief van een apostel in zijn geheel te horen, maar het voegt niets toe aan het inhoudelijke thema van deze bepaalde zondag. Omdat wij voor de verkondiging wel aan een duidelijk thema hechten, maken wij gebruik van de mogelijkheid de apostellezing weg te laten.

Joost Koopmans, OSA

top